



Hendrik
.....
‘Nu ik niet meer hoef te werken, fiets ik veel. Het liefst fiets ik naar de Waal. Ik hou van het water. Dat trekt mij steeds opnieuw aan. Misschien komt dat omdat er vroeger, achter de boerderij van mijn ouders, ook een water lag. Daar heb ik veel geroeid. En je kon er schaatsen in de winter. Maar de bossen zijn ook prachtig. Ik hou van de natuur. Dat is voor mij het fijnste wat er is. Onderweg kijk ik naar van alles: de vogeltjes, de bomen, de bloemen, de jeugd, en het vee in de wei.’ Met rechte rug zit hij op zijn fiets, gemoedelijk en krachtig tegelijk. Een montere man van 73 jaar met pet, een intelligente blik in een vriendelijke oogopslag. Slank postuur en sportief gekleed. Hij fietst in een behoorlijk tempo, maar niet gehaast of doelgericht. Hij fietst om het fietsen, dat kan je zien. ‘Op de fiets denk ik na. Over het leven, over de dood, over alles eigenlijk.’
.....
‘Vlak voor die operatie ben ik dicht bij de dood geweest. Ik was niet bang. In het ziekenhuis lag ik in een gang, waar iedereen langs liep. Later lag ik op een kamer, de patiënten afgescheiden door gordijnen. De sfeer was onplezierig, het was er allemaal heel onrustig. Maar ik was juist heel rustig, voelde berusting, niets kon mij deren. Want ik lag te wachten op de dood. Of niet. Misschien heb ik mijn leven wel te danken aan die rust. Dat ik niet bang was voor de dood ligt misschien aan de persoon, en aan het feit dat ik een boer ben. Boeren zijn vertrouwd met de cyclus van geboorte en dood. Maar hoe rustig ik ook was over mijn mogelijke dood, nooit eerder in mijn leven ben ik zo blij geweest als toen ik bijkwam uit de operatie. Ik zag de broeder die me verzorgde. En wist: “Ik leef nog!”. Dat is een onbeschrijflijk gevoel.’
.....
‘Mijn vader stimuleerde het studeren. Maar ik wilde niet, ik wilde boer worden. Werken op het land, het betekende vrijheid, in de natuur zijn. Heerlijk vond ik het om bijvoorbeeld met paard en ploeg de hele akker te doen: heen en weer, kilometers lang, voortje voor voortje. We hebben gekozen voor witlof. Dat is een gewas waar je echt je hele ziel en zaligheid in kunt leggen.’ Hij legt me uit dat het een hele kunst is om een goeie witlofwortel te telen. Daarna moet je een goed kropje telen, en dan heel goed letten op temperatuur en water. Hij benadrukt de zorgvuldigheid en aandacht die dat vergt.
.....
We zijn weer terug bij het huis, we rijden het erf op en zetten de fietsen terug in de schuur. In de schuur wijst hij me alles aan, en laat me zien waar het gereedschap staat. Hij steekt zijn handen omhoog. ‘Ik ben eigenlijk geen boer, kijk maar naar mijn handen.’ Zijn handen zijn zacht en rimpelloos, alsof ze nooit gewerkt hebben. ‘Maar of ik gelukkig zou zijn geweest in een ander beroep? Ik vraag het me af.’ Hij opent een lade waarin mappen met liederen van het koor zitten. Het archief, dat hij op orde houdt. Al bladerend zingt hij een enkele regel mee.
.....
Als we het huis weer ingaan, laat hij mij de foto zien van de kleinkinderen. In de gang loopt hij de trap op, naar boven. ‘Kom eens kijken’, zegt hij en wenkt me mee naar boven. Achter een kast, in het donker, staat iets onder een doek. Aan zijn bewegingen kun je zien dat het iets kostbaars moet zijn. Onder de doek staan twee emmers. Voorzichtig tilt hij de doek op. Glunderend laat hij ze zien: de witlofkropjes.