



Maria
.....
Dan vertelt ze over hoe ze hem ontmoet heeft. Dat ze hem wel eens had gezien, op de fiets. Hij woonde een dorp verderop. ‘Telkens wanneer ik langs zijn huis fietste hoopte ik dat ik hem zou zien. En als ik hem dan zag, dan sloeg de vonk over. Op een keer toen ik langs zijn huis fietste, was hij buiten en stopte ik. We hebben wat gepraat met elkaar en hij fietste een eindje met me mee. Hij bood me aan of hij me naar huis mocht brengen. Maar ik wist niet wat ik moest doen. Dus ik zei nee. Dat was het, er gebeurde dus niets. Wat moest ik doen, in die tijd deed je dat niet, het was niet gebruikelijk dat je op zo’n jonge leeftijd al met elkaar ging. Bovendien, hij was al 18 jaar.’ Later, op een wintermiddag, gingen ze schaatsen. Achter zijn ouderlijk huis was een ijsbaan. Met een vriendin ging ze er naar toe. ‘Waar die vriendin gebleven is weet ik eigenlijk niet meer, het enige dat ik me ervan herinner is dat Hendrik en ik elkaar zagen. De hele middag had ik alleen maar oog voor hem. We waren samen. Arm in arm en aan de zwier. Vijftien jaar was ik, en zo werd ik verliefd. Dat weet je, zelfs als het de eerste keer is. Daarna zagen we elkaar niet meer, al bleef hij in mijn gedachten. Die verliefdheid is nooit meer over gegaan. Hendrik is mijn eerste en grote liefde.’
.....
Ze loopt naar een oude zwart wit foto toe die aan de muur hangt. Een foto van een al wat oudere vrouw met een baby’tje op de arm. ‘Kijk dat is mijn moeder met mij. Het is de enige foto die ik heb van mijn kindertijd. Op zondag was ik vaak alleen thuis met haar. De anderen waren naar de kerk, ik was daar nog te klein voor. Dan mocht ik bij mijn moeder op schoot zitten, zij las voor uit de Bijbel en ze zong psalmen. Ik herinner me haar als een klein, zachtaardig, en goeiig vrouwtje. Vrolijk van aard. Ze zong graag. Ik vond het fijn als mijn moeder zong.
Op een dag, ik was 9 jaar, werd mijn moeder ziek. Iets aan haar buik. Ze moest naar het ziekenhuis. Ze lag daar al een week en op een avond kregen we bericht. Zo snel als we konden moesten we onze mooie kleren aantrekken. Want het zou de laatste keer kunnen zijn. Ik kreeg een jurk aan en een strik in mijn haar. In grote haast werden alle kinderen in een taxi gestopt. Bij mijn vader op schoot zittend kon ik voelen hoe erg hij trilde, daar werd ik bang van. In haar ziekenhuiskamer stonden we met zijn allen. Daar lag ze. Ik ben naar haar toe gegaan en heb mijn moeder aangeraakt. Ze was al dood.’
‘In huis werd ergens een foto van mijn moeder neergezet en verder werd er door niemand nog over haar gesproken. Maar het allerergste vond ik dat ik een jaar lang in zwarte kleren gekleed moest gaan, ik was immers in de rouw. Zwart, dat was een vreselijke kleur, daar viel je mee op.’
.....
‘De gelukkigste tijd van mijn leven is geweest telkens wanneer ik beviel van een van onze vier kindjes. Het wiegje stond altijd op onze slaapkamer, naast ons bed. Er hing de warme zoete geur van baby’tjes. Als ik ’s nachts wakker werd, voelde ik op de tast in het donker in het wiegje, pakte zo’n klein warm zacht handje van het slapende baby’tje, en dan voelde ik mij de gelukkigste mens op aarde. Omdat ik wist: dit is van mij, dit is mij gegeven.’
